Biologische zuivering

De vervuiling die na de mechanische zuivering nog overblijft, bestaat uit heel fijne of opgeloste deeltjes die vragen om een aerobe (in een zuurstofrijke omgeving) afbraak.

Micro-organismen die het water zuiveren

Biologische zuivering

Het rioolwater wordt in een selectortank gemengd met miljoenen bacteriën en andere micro-organismen, die wemelen in een actieve slibmassa. In het beluchtingsbekken brengen systemen als ronddraaiende borstels of schroeven grote hoeveelheden zuurstof in het mengsel.

De bacteriën in het slib hebben die zuurstof immers nodig om het organisch materiaal in het rioolwater af te breken tot kool - stofdioxide (CO2), stikstofgas (N2) en water (H2O). De activiteit in een beluchtingsbekken is een nabootsing van het natuurlijke zuiveringsvermogen van een waterloop. Alleen verloopt het proces in een RWZI sneller door een hogere concentratie bacteriën en de continue en gestuurde inbreng van zuurstof in het water. De laatste stap in het zuiveringsproces is de nabezinking in grote ronde nabezinktanks. Door een voldoende lange verblijftijd en een rustige stroming zakt het slib naar de bodem van de tank, waar het met een bodemschraper naar een centrale put wordt geleid. Bovenaan bevindt zich het gezuiverde water (effluent), dat zachtjes over de getande rand van de tank loopt.

Vooraleer het naar een nabije waterloop stroomt, passeert het eerst nog een meetinstallatie voor een laatste kwaliteitscontrole. Het slib dat in de centrale put van de nabezinktank wordt verzameld, keert grotendeels terug naar het begin van de biologische zuivering, naar de selectortank dus. Dit gebeurt meestal met slibretourvijzels. Maar niet alle slib kan opnieuw gebruikt worden in het zuiveringsproces.

De actieve slibmassa groeit immers steeds aan doordat de bacteriën zich voeden met de verontreiniging in het water. Hierdoor ontstaat een overschot aan slib (spuislib), waarvoor diverse andere bestemmingen zijn.